De zogenaamde cultuurrelativisten beschouwen ‘s werelds culturen niet als gelijkwaardig aan elkaar; ze maken de onze ondergeschikt aan andere.
Het idee dat wij onze beschaving niet superieur mogen achten aan "beschavingen" in Afrika, of aan de islamitische, is een kindje van de Verlichting. Vele gedachten die ontsproten aan deze filosofische revolutie liggen ten grondslag aan het cultuurrelativisme. Ten eerste werd met de Verlichting de Rede geïntroduceerd, en tegelijkertijd de Openbaring verdrukt. Uit deze overwinning van de Rede volgde het idee dat een samenleving niet het recht heeft om haar waarden op te dringen aan andere samenlevingen, omdat zij er nooit zeker van kan zijn dat deze waarden haar door God gegeven zijn.
Verder leidde het Verlichtingsdenken tot een progressieve individualisering van de mens, het idee van menselijke waardigheid en gelijkwaardigheid, en ook de opvatting dat een moreel oordeel over menselijk gedrag slechts conventioneel is. Dat wil zeggen: ingegeven door cultuur, niet de menselijke natuur.
Niemand kan met honderd procent zekerheid iets beweren, betoogde David Hume (1711-1776), dus niemand is in staat een oordeel te vellen over een alternatief moreel systeem. En Immanuel Kant (1724-1804) voegde daaraan toe dat mensen de zaken om zich heen niet waarnemen zoals ze werkelijk zijn, maar veeleer zoals ze worden gefilterd door de menselijke cognitie, ofwel "de mentale activiteit die de processen van leren, waarnemen, herinneren, denken, interpreteren, geloven en probleem-oplossen bevat."
De ideeën van de Verlichting radicaliseerden in de negentiende eeuw richting een vergaand egalitarisme (alsmede richting het marxisme en het nationaal-socialisme, zoals wellicht bekend). Toch ziet het er naar uit dat het oordeel dat bovengenoemde filosofen velden over de menselijke natuur in zijn geheel niet correct is.
Francis Fukuyama toont in zijn boeiende boek Our Posthuman Future aan dat er wel degelijk een vermogen voor het maken van morele overwegingen ligt ingebed in de menselijke natuur. Hoewel overal ter wereld mensen hun soortgenoten doden, worden moord en doodslag in geen enkele cultuur geaccepteerd als een normaal verschijnsel, om maar één voorbeeld te noemen. De angst voor een gewelddadige dood blijkt een krachtige — zo niet de meest krachtige — natuurlijke emotie te zijn. Zo zijn er nog veel meer menselijke emoties en waarden te bedenken die veeleer universeel zijn dan cultuurgebonden.
Zijn natuur leidt de mens niet per definitie naar het goede, maar heeft hem wel tot een cultureel dier gemaakt. Gewoonten, gebruiken en bezinning stellen hem in staat om cultureel te evolueren. Dat vermogen is voor honderd procent een product van de menselijke natuur.
De klassieke Griekse filosofen hadden goed begrepen dat het cultiveren van het menselijk gedrag, middels de ontwikkeling van normen, waarden en deugden, en de constructie van gedegen filosofische grondvesten voor de samenleving, het menselijke bestaan naar een hoger plan kon brengen. De joods-christelijke traditie vertoont grote gelijkenissen met de klassieke traditie, en koestert, net als de Griekse en Romeinse denkers, een diepgaand respect voor de aard van het beestje; "Gij zult niet doden" en "Gij zult niet stelen" zijn universeel geaccepteerde normen, geen exclusief christelijke geboden. Zij zijn grotendeels ontsproten aan de menselijke natuur, niet aan conventie.
Terwijl beide tradities onlosmakelijk verweven zijn met elkaar en met de westerse geschiedenis, hebben de Verlichting en vooral de Romantiek ze zonder pardon bij het grofvuil gezet. De meest extreme producten die uit deze filosofische revoluties zijn voortgekomen, het marxisme en het nationaal-socialisme (twee zijden van dezelfde totalitaire medaille), hebben uiteindelijk faliekant gefaald in hun poging de menselijke natuur te onderdrukken. Het ontkennen van klassenverschillen en de poging tot eliminatie van het gezin als basis van gezag naast dat van de staat, hebben deze verschijnselen in Nazi-Duitsland en de Sovjetunie niet kunnen uitroeien.
Idiote ideeën zijn ook het Westen echter niet vreemd. De beroemde psycholoog John Money bedacht in de jaren vijftig dat genderverschillen slechts sociaal geconstrueerd waren en dus — afgezien van de onmiskenbare uiterlijke verschillen tussen jongens en meisjes — op geen enkele wijze konden worden gerelateerd aan de menselijke natuur. Money kreeg de kans zijn theorie te toetsen aan de realiteit, toen hij een koppel wist te overtuigen om hun pasgeboren zoon, wiens geslachtsdeel bij de besnijdenis was verminkt, te laten ombouwen tot en opgroeien als meisje. Maar Brenda Reimer wilde nooit met poppen spelen en ook niet touwtjespringen met vriendinnetjes; ze hield meer van auto’s en oorlogje spelen. Na veertien jaar onderging Brenda opnieuw een geslachtstransformatie en werd ze weer Bruce, enkel een onherstelbaar jeugdtrauma rijker.
De les die we uit deze voorbeelden kunnen trekken is dat de menselijke natuur zich misschien laat onderdrukken, maar nooit elimineren. Maar hoe verhoudt deze wijsheid zich tot het cultuurrelativisme? Welnu, wat betreft het morele relativisme van het machtsrealisme is deze vraag snel beantwoord. Een regime dat niet is gestoeld op een natuurlijke notie van moraliteit en rechtvaardigheid maar op tirannie en repressie zal nooit het natuurlijk gezag opeisen dat de liberale democratieën van het Westen genieten.
Maar een cultuur is nog geen regime. Om culturen met elkaar te vergelijken, zullen we dus moeten bepalen in hoeverre zij de menselijke natuur — in zekere zin — in haar waarde laten.
Het is duidelijk dat de islam bijvoorbeeld niet de klassieke en joods-christelijke fundamenten van onze samenleving deelt. Mohammed verspreidde zijn jonge religie met het zwaard. Binnen enkele decennia onderwierp hij het hele Arabische schiereiland aan zijn gezag. Mensen die hem een strobreed in de weg lagen, werden zonder pardon een kopje kleiner gemaakt. Ook de islamitische overlevering van latere datering is er één van onderwerping en terreur. Het verschil tussen Jezus Christus, die liefde en respect predikte en zijn volgelingen opriep tot geweldloos verzet tegen de gevestigde orde, en de bloedige lessen van Mohammed, is aanzienlijk. Wie denkt dat de Bijbel en de Koran wederzijds inwisselbare verzamelwerken zijn, heeft het mis.
In de lange geschiedenis van het Midden-Oosten sinds het ontstaan van de islam is de regio het toneel geweest van repressie en tirannie. Joden en christenen zijn in de beste periodes niet meer dan tweederangsburgers geweest (en in de slechtste tijden simpelweg afgeslacht). Om de sexuele driften van mannen te onderdrukken werden (en worden) vrouwen gedwongen om allesbedekkende kledij te dragen, en om hun eigen driften te onderdrukken werden (en worden) zij niet zelden besneden. Een verkrachte vrouw werd (en wordt) bestraft voor overspel, maar haar man mocht (en mag) meerdere vrouwen tot echtgenote maken (waaronder ook negenjarigen). Op homosexualiteit stond (en staat) de doodstraf, en sinds de twintigste eeuw zijn zelfs zelfmoordaanslagen doeltreffende manieren om de minder rigide geloofsgenoten weer op het rechte pad te krijgen. Bovendien bezondigen de seculiere Arabische regimes van vandaag de dag zich aan regelrecht socialisme en fascisme.
Het zijn voorbeelden die elk gevoelsmatig begrip van rechtvaardigheid trotseren. Het laat zich raden waarom: de islamitische normen en waarden druisen niet zelden lijnrecht in tegen de menselijke natuur. De moslimwereld cultiveert meestal niet het goede in de mens, zoals de klassieken en ook de christenen trachtten te doen, maar vaak juist het kwade.
Enkel een vrije samenleving, waarin een overheid de menselijke driften niet onderdrukt maar waarin deze worden afgeremd door een doodnormaal gevoel van fatsoen in de burger zelf, haalt het beste in haar mensen naar boven. In weerwil van de radicale ideeën die ook in het Westen — vooral sinds de jaren zestig — voet aan de grond hebben gekregen, blijkt de maakbare samenleving een illusie; armoede kan niet worden uitgebannen met socialistische prikkels, jongens kunnen niet zonder problemen meisjes worden, en een wooncommune heeft niet dezelfde natuurlijke basis als het ouderwetse, christelijke gezin.
De linksliberale Verlichtingsfundamentalisten van vandaag de dag eten van twee walletjes. Enerzijds verwerpen zij het christendom als dogmatisch en middeleeuws, maar wanneer het debat zich verschuift richting de islam halen zij ineens argumenten met betrekking tot "respect", "vrijheid van religie" en "tolerantie" uit de kast, en is de welbekende oproep tot Rede in geen velden of wegen meer te bekennen.
Nog erger: het christendom wordt enkel beoordeeld op zijn bloedige episoden, alsof het onvermogen van vroegere christenen om naar hun eigen principes te leven meteen ook een oordeel behelst over die principes zelf. In de naam van tolerantie worden tegelijkertijd al het bloed dat de volgelingen van de islam hebben vergoten en alle koppen die zij hebben afgehakt onder het tapijt geveegd, en wordt deze religie geportretteerd als zou zij "vredig" zijn.
Dit is geen cultuurrelativisme zoals cultuurrelativisten dat begrip plegen te definiëren; dit is masochisme, het "beleven van genot aan onderwerping of kleinering." Van etnocentrisme zijn we dus afgezakt naar relativisme en vervolgens naar "Weg Met Ons." Hoe wij ooit dusdanig rijk en machtig zijn geworden dat we in staat waren praktisch de hele wereld onze verfoeilijke ideeën en waarden op te leggen, dat vraagt geen mens zich af. Ideeën spelen geen rol.
Tenzij het de tolerantie van intolerantie betreft. Die is heilig.